Hij heb een rode Peugeot.
Zij zijn een rode Peugeot.
Hij is een rode Peugeot.
Hij heeft een rode Peugeot.
Hoe heet de directeur?
Wie heet de directeur?
Wat heet de directeur?
Waarom heet de directeur?
Komt u uit Engeland?
Komt u van Engeland?
Komt je van Engeland?
Komt je uit Engeland?
Ik wacht voor een taxi.
Ik wacht op een taxi.
Ik wacht een taxi.
Ik wacht van een taxi.
Bent jij vandaag jarig?
Ben jij vandaag jarig?
Is jij vandaag jarig?
Zijn jij vandaag jarig?
Dit producten is nieuw.
Deze product is nieuw.
Deze producten zijn nieuw.
Dit producten zijn nieuw.
De bus gaan om half 3.
De bus gaat op half 3.
De bus gaan op half 3.
De bus gaat om half 3.
Zij wil niet suiker in haar koffie.
Zij wilt niet suiker in haar koffie.
Zij wil geen suiker in haar koffie.
Zij wil geen suiker in hun koffie.
Morgen ik ga in vakantie.
Morgen gaat ik in vakantie.
Morgen ik gaat op vakantie.
Morgen ga ik op vakantie.
Waar ja je naar?
Waar ga je?
Waar ga je toe?
Waar ga je naartoe?